-
“Muziek hoeft niet perfect te klinken. Het merendeel van het grote publiek hoort het toch niet als het niet echt volmaakt is. Van doorslaggevend belang blijven echter die speciale momenten dat er over en weer iets voelbaars tussen de muzikanten ontstaat. Dat is telkens weer onzichtbaar en ongrijpbaar. Als je daar bewust naar streeft, lijkt het je steeds te ontglippen. Maar als het zich voordoet, dan registreer ik dat meteen. Ook het publiek weet zich dan geraakt. Omdat zich iets voltrekt dat het gewone overstijgt. Iets wat je best verheven mag noemen”.
--
“Artistiek gezien ligt mijn prioriteit in de symfonische wereld. Maar direct daarop volgt de fanfare Kempenbloei uit Achel. Fanfareklanken zijn me met de paplepel ingegoten. Mijn vader speelde bugel. Hij was amateur, maar schopte het wel tot muziekdocent en tot voorzitter van de fanfare bij ons in Olen".
“De Tweede Wereldoorlog bracht mijn vader door in een krijgsgevangenkamp, ergens ver weg in Frankrijk. Dat had hem een knauw gegeven, maar toch leerde ik, als nakomertje, hem kennen als een blijmoedig mens. Tot hij, toen hij in de 70 was, licht begon te dementeren en mijn oudste broer van 40 tot overmaat van ramp overleed. Vanaf dat moment overheerste de droefenis bij hem en ging hij alsmaar verder achteruit. Mijn moeder heeft hem nog jaren goed verzorgd. Ze heeft hem overleefd. Zij stierf in 2001, een jaar na zijn dood, aan een hersentumor. In dat jaar stond ik voor het eerst op het Wereld Muziek Concours in Kerkrade”.
-
“Ook ik begon ooit op een bugel. Daar kwam slagwerk bij. De bugel moest ik na een paar jaar laten varen. Op dat instrument corrigeer je de klanken met je lippen. En die van mij waren daarvoor net iets te dik. Het mondstuk van een trombone is een slag groter. Dus werd het trombone voor mij”.
-
“Ik ging op mijn 16de naar het Lemmens-internaat in Leuven. Daar kon ik mijn middelbare schoolopleiding combineren met onderwijs in de muziek. Er was nergens een tv te vinden die je af kon leiden. Op mijn 18de werd ik toegelaten op het conservatorium in Gent".
-
"Koen Maas was een van mijn jaargenoten. Hij is sopraansax-solist bij Kempenbloei. Richtte daar in 1995 de jeugdfanfare voor op. Koen is spectaculair vernieuwend bezig binnen het saxofoonkwartet Bl!ndman. Reist daarmee de hele wereld rond”.
-
-
“Vooraanstaande fanfares in Nederland zijn ingesteld op 1 nieuw stuk in 3 repetities. Binnen Kempenbloei blijken we in staat om tijdens 1 repetitie 3 nieuwe stukken door te nemen”.
-
"Dat is een kestie van techniek. Het Belgische muziekonderwijs heeft vastgehouden aan het Franse solfège-systeem. Daarin worden de noten nog do-re-mi enzovoorts genoemd. Met solfège zing je de melodie vanaf de bladmuziek voor. Met alleen maar klanken. Daarmee vergroot je je muzikale gehoor en wordt je trefzekerder wat het ritme en de melodie betreft. In het do-re-mi-systeem bestaat elke klank uit een medeklinker en een klinker (alleen de sol heeft er nog een medeklinker bij). Daarmee kun je de lengte van de tonen nauwkeuriger faseren dan met de a-b-c-aanpak waartoe Nederland en Duitsland een aantal jaren terug zijn overgegaan”.
-
“Ambitie wordt in de wereld van de muziek gerespecteerd. Dat kan ook niet anders: op iedere auditie melden zich 50 kandidaten. In Gent studeerde ik me helemaal te pletter. Stond ‘s morgens eerder op dan de anderen. Om een uur extra te kunnen studeren. Op mijn 19de had ik mijn eerste baan. Bij het symfonieorkest van de BRT. En op mijn 21ste werd ik solo-trombonist bij het Concertgebouworkest in Amsterdam. Op die plek viel mij mijn hoogste onderscheiding te beurt. Werd ik de beste solo-trombonist van Europa genoemd”.
--
-
“Ik liet het Concertgebouworkest als solist in 2007 achter me. Om me als dirigent te vestigen. Ongeveer tegelijk met Jaap van Zweden. Hij koos een andere weg dan ik; timmerde hard aan de weg, formeerde een heel team van p.r.-specialisten om zich heen. Versleet de ene manager na de andere tot hij werd binnengehaald bij een van de 2 tot 3 grote managementbureau’s die vanuit Londen bepalen wat er wereldwijd in de symfonische wereld gebeurt. Mij zal je niet horen zeggen dat ik over 5 jaar voor de Wiener Symphoniker denk of hoop te staan. Voor mij draait het veel meer om het opbouwen van intense persoonlijke kontakten. Mijn managementbureau in Amsterdam weet dat en houdt daar rekening mee”.
-
“Ik geef nu trombone-les op het conservatorium in Amsterdam. Maar in Achel geef ik ook les aan een jochie. Die wilde naar de muziekschool. Maar die zat vol. Wilden zijn ouders hem toch alvast de muziekbeginselen bij laten brengen. Hadden hem voor privé-lessen echter bijna bij een minder bekwame leraar ondergebracht. Als zo’n kind een half jaar de verkeerde ondergrond meekrijgt, komt dat later nooit meer goed. Kan ik niet hebben. Heb ik het dus maar op me genomen”.
-
“In 2007 werd ik aangesteld als vaste dirigent van het Collegium Instrumentale Brugense. Dat vormde ik om tot Het Kamerorkest. Dat woordje ‘het’ werd hier en daar ervaren als onbelgisch ambitieus. Het heeft me veel overtuigingskracht gekost om dat er allereerst intern door te krijgen. Ondertussen ervaar ik dat als mijn eigen orkest”.
=
“Als gastdirigent sta ik gemiddeld om de 2 jaar 1 week voor 13 van alle 14 Nederlandse symfonie- orkesten. Alleen voor het Nederlands Philharmische Orkest heb ik nog niet gestaan. Eenzelfde overeenkomst heb ik met 6 van de 7 symfonieorkesten in België. Voor het orkest van de BRT vinden ze me niet meer. Daar kreeg ik teveel jaloezie over me heen en er zit bij mij nog teveel oud zeer. Ik trad laatst ook nog met een Duits orkest op in Italië en vlieg binnenkort heen en weer naar Nieuw-Zeeland om weer eens op te treden met de philharmonie van Auckland”.
--
“Al jong wist ik dat Kempenbloei van oudsher tot de beste fanfares van Belgie werd gerekend. Ik zag en hoorde ze voor het eerst eind jaren ‘90. Dacht toen meteen: wat zou ik graag met die mensen werken. In 2001 reed ik met een vriend door Achel. Hij zei: ze zoeken hier een nieuwe dirigent, is dat niks voor jou?”
-
"Iedere repetitie met Kempenbloei kost me 4 tot 5 uur autorijden. Dat heb ik er echter maar al graag voor over. Want ik rij ‘s avonds laat telkens weer naar huis terug met een extra stoot energie”.
-
“Van het begin af aan voelde ik me welkom in Achel. Totdantoe werd hier elke donderdag gerepeteerd. Ik kon echter alleen maar op de dinsdagavonden. Twee leden konden dan met geen mogelijkheid. Die stapten op met spijt in het hart. Zeiden wel: goed dat ze jou hebben gekozen”.
-
“Als dirigent heb je consequent en duidelijk te zijn. Stelde van meet af aan: wij kunnen alleen maar wat voor elkaar betekenen als er elke week uiterlijk om kwart over 8 tenminste 20 muzikanten in de repetitieruimte aanwezig zijn. Was de 3de repetitie niet het geval. Heb ik klokslag 20.15 uur mijn spullen bij elkaar geraapt, ben ik afgereisd. Heeft zich daarna niet meer voorgedaan”.
-
-
“Gedurende de repetities ben ik degene die zorgt dat er dingen gebeuren. Tijdens concerten laat ik dat los. Dan láát ik het helemaal gebeuren. Maak ik mijn hoofd zonodig van tevoren schoon. Met ademhalingsoefeningen. Ik geloof verder nergens in, maar dat werkt wel”.
-
“Werken met Kempenbloei voelt zo goed dat ik daar mijn andere werk op afstem. Vanuit Loenen kan ik mijn vaste verplichtingen in Amsterdam, Achel Brugge en Dusseldorf goed nakomen. Parijs zou misschien ook nog net kunnen. Mogelijke aanstellingen in Taipe en Seoul heb ik aan me voorbij laten gaan. Ligt mij te ver van Achel”.
-
“Het draait mij vooral om de interactie. Ik hou net zoveel van mensen als van muziek. Binnen Kempenbloei gaat het er mooi spontaan aan toe, kan ik heel direct communiceren, zijn de lijntjes lekker kort. Stuit ik niet op argwaan voor iemand van buitenaf. Dat leeft binnen verenigingen nogal eens. In Achel tref ik een heel open muziekmentaliteit”.
-
“Binnen symfonische orkesten komt nog wel eens een ambtelijke mentaliteit voor. Komen traag op stoom: beginnen te repeteren op een laag pitje en gaan pas gaandeweg naar een concert langzaam maar zeker voluit. Binnen Kempenbloei zet iedereen zich tijdens iedere repetitie in voor de volle honderd procent. Maar het allermooiste is: ondertussen luisteren ze ook nog eens heel goed naar elkaar”.
-
“Symfonische orkesten met uitsluitend professionele muzikanten hebben een stuk met 3 keer repeteren concertklaar. Bij Kempenbloei doen we dat in 4 repetities. Dat zegt voldoende over de muzikale kwaliteit. We hebben ook een enorm afwisselend repertoire. Tijdens het laatste Wereld Muziek Concours in Kerkrade sprongen we muzikaal echt van de hak op de tak”.
--
-
“Het behalen van het wereldkampioenschap in Kerkrade heeft ons toonaangevend gemaakt. We vervullen sindsdien een voorbeeldfunctie. Dat spreekt ook mijn gedrevenheid aan".
-
"Willen we een kans maken om wereldkampioen te blijven, dan zullen we dat muzikaal waar moeten blijven maken. Het bestaande aanbod aan repertoire blijft beperkt. Dat beslaan we nu vrijwel helemaal. Zullen binnen afzienbare tijd dus met vernieuwend werk op de proppen moeten komen. Anders worden we binnen de kortste keren ingehaald. Diverse fanfares in binnen- en buitenland hebben ondertussen al de stukken aan hun repertoire toegevoegd waarmee wij in Kerkrade wonnen. Dus pleit ik binnen Kempenbloei met kracht voor een stichting of fonds dat vernieuwende componisten en arrangeurs aan het werk zet. Alleen langs die weg kunnen we voorkomen dat we voorbij worden gestreefd”.
-
“Kempenbloei omvat als muziekvereniging naast de fanfare ook nog een drumband, een jeugdfanfare en een majorettenkorps. Ik kan me goed voorstellen dat die wel eens denken: daar heb je die fanfare weer met al die noten op haar zang. Maar als wereldkampioen zit er nu eenmaal weinig anders op dan vooral ook de ontwikkeling van de andere takken binnen je eigen vereniging te blijven prikkelen”.
-
-
"Ik leg de lat heel hoog. Binnen de fanfare Kempenbloei tellen we in totaal 68 muzikanten. Hiervan is 1 op de 3 beroeps - of daarvoor in opleiding; 2 op de 3 is amateur. Die twee geledingen werken wonderwel samen. Dat kun je aflezen aan ons repertoire. Gebruikelijk is een basispakket waarmee je 1½ concert kunt vullen. In het afgelopen seizoen hebben we een repertoire opgebouwd voor 5 volledige concerten. Onze beroepsmuzikanten vinden dat prachtig. Maar bij de amateurs begint het hier en daar toch een beetje te wringen. Dus het komend seizoen doen we het iets rustiger aan. Wordt het nog meer een geoliede machine”.
--
“Dirigent zijn betekent dat anderen mijn weg volgen. Dat houdt echter niet in dat ik ook privé alles weet te dirigeren. Dat heb ik de laatste jaren aan den lijve moeten ondervinden. Ik was zoveel van huis dat mijn vrouw Liesbeth en onze 3 kinderen het gevoel kregen dat ik bij hen vandaan groeide. Vonden het zelfs beter dat ik een tijdje op mezelf ging wonen. Op een gegeven moment geloofde ik niet meer dat het nog goed zou komen. Godzijdank is dat met veel praten toch nog hersteld. Inmiddels gaat het gelukkig beter dan ooit”.
-
“Sinds een paar jaar wonen we in Loenen aan de Vecht. Hollandser kan haast niet. Was wel even wennen voor een Vlaming als ik. Tussen Kerst en Nieuwjaar betrokken we een woning midden in het dorp. Stond ik ‘s morgens vroeg in mijn pyama in de keuken, werd er opeens hard op de deur gebonkt. Schrok me een hoedje. Stond daar een oud vrouwtje dat ik nog nooit had gezien. Met een schaal oliebollen. Die bood ze me aan. Voor de jaarwisseling, zei ze erbij. Riep ik: dat wil ik helemaal niet! Gooide zo de deur weer voor haar neus dicht. Bleek het later een buurvrouw te zijn die me op die manier wilde verwelkomen. Zo doen ze dat in Holland. Nog diezelfde dag heb ik haar uitgebreid mijn excuses aangeboden. Konden we er allebei om lachen”.
-
-
“Liesbeth leerde ik kennen op het conservatorium van Gent. Zij studeerde viool. Deed dat in wezen tegen haar zin. Was dat gaan doen onder druk van haar familie. Die omvat nogal wat beroepsmusici. In haar eindexamenjaar vroeg ik haar: wil je nu zo verder gaan voor de rest van je leven of niet? Zei ze nee. Vroeg ze me wel of ìk haar familie wilde bellen om het hen te vertellen. Heb ik gedaan. Gaf nogal wat gedoe. Daarna heeft ze 8 jaar lang haar viool niet meer aangeraakt. Maar de liefde voor de muziek won het uiteindelijk toch ook bij haar. Zonder diploma geeft ze inmiddels 15 leerlingen privé-les en is ze nu eerste violist en concertmeester in het symfonieorkest voor de Vechtstreek”.
-
-
"We hebben spijkerhard gewerkt. Mikken met het oog op het 150-jarig bestaan op het allerhoogst haalbare resultaat. Zowel muzikaal als klanktechnisch. Dat heeft nog heel wat voeten in aarde. Ik til met name zwaar aan de klankkleur. Dat luistert bij blaasmuziek nogal nauw. Krijg gelukkig alle ruimte om de montage bij te sturen. Mag tot het uiterste gaan: tot het punt waar het uit technische overwegingen of om welke reden dan ook echt niet meer beter kan. We willen op het jubileum op ons allerbest voor de dag komen. Hoop dat onze CD nog net op tijd beschikbaar is".
-
-
-
© 2012 rob kuil
-
-
voor overige bestoefingen
-









